Bericht
Samenwerking met naasten blijft aandachtspunt in netwerkzorg
In de zorg voor mensen met psychische problemen wordt steeds vaker gewerkt met netwerkzorg. Daarbij draait het niet alleen om de cliënt, maar ook om de mensen om hem of haar heen, zoals familie en vrienden. Toch blijkt dat deze manier van werken in de praktijk nog lastig van de grond komt juist als het gaat om het betrekken van naasten. Dat blijkt uit het rapport Netwerkzorg implementeren; lessen uit implementatieprocessen van 11 organisaties in de ggz van Kenniscentrum Phrenos.
In dat onderzoek werden elf ggz-organisaties meerdere jaren gevolgd. Daarbij is gekeken naar drie concrete werkwijzen: de netwerkintake, resourcegroepen en samenwerking over verschillende domeinen heen. Vooral dat laatste samenwerken tussen bijvoorbeeld ggz, gemeente en sociaal domein blijkt complex.
Opvallend is dat niet alle onderdelen even snel worden ingevoerd. De netwerkintake, waarbij vanaf het begin het sociale netwerk in beeld wordt gebracht, lukt in veel teams nog relatief goed. Maar resourcegroepen een vaste groep van naasten en professionals die samen met de cliënt doelen bepalen en volgen blijken lastiger op te zetten en vol te houden. Terwijl juist die groepen zorgen voor structuur, gedeelde verantwoordelijkheid en regelmatige afstemming.
Resourcegroepen
Juist bij die resourcegroepen ligt een belangrijke kans voor betere samenwerking met naasten. Het idee is simpel: de cliënt kiest zelf wie er meedoen, vaak familie of andere naasten, en samen bespreken zij regelmatig hoe het gaat en wat nodig is. Deze werkwijze kan versnippering voorkomen en maakt het mogelijk om signalen eerder op te pikken.
Toch laat het rapport zien dat deze manier van werken nog lang niet vanzelfsprekend is. In veel teams kost het moeite om naasten echt vanaf het begin te betrekken. Dat heeft onder andere te maken met praktische drempels, zoals tijdgebrek en onduidelijke rolverdeling. Ook spelen handelingsverlegenheid en onzekerheid bij professionals een rol, bijvoorbeeld over privacy of over hoe zij het gesprek met familie moeten voeren.
Daardoor hangt het in de praktijk nog vaak af van de individuele hulpverlener of naasten een actieve rol krijgen. Volgens de onderzoekers leidt dat tot grote verschillen tussen teams en organisaties. Op sommige plekken wordt al intensief samengewerkt met naasten, terwijl het elders nog beperkt blijft.
Meebewegen
Een belangrijk inzicht uit het rapport is dat netwerkzorg geen losse methode is die je invoert, maar een langdurig veranderproces. Het vraagt om een andere manier van denken en werken, waarbij niet alleen de cliënt, maar ook zijn of haar netwerk een vaste plek krijgt in de zorg. Dat betekent ook dat organisaties en systemen moeten meebewegen.
De onderzoekers benadrukken dat blijvende ondersteuning nodig is om deze verandering te laten slagen. Denk aan training, duidelijke afspraken en tijd om samen te werken. Pas dan kan netwerkzorg echt leiden tot betere en meer samenhangende ondersteuning met een duidelijke rol voor naasten.
Geen reacties gevonden..